In Flanders’ Fields 96: – Waar is de Sneeuw van Weleer?

13,0021,00

Wissen

Waar is de Sneeuw van Weleer?

Deze CD wil een caleidoscopisch beeld laten horen van meer dan tachtig jaar orkestmuziek in Vlaanderen, van georkestreerde kamermuziek over concertante muziek tot een opera-ouverture.

De historische opera Le carillonneur de Bruges is een buitenbeentje in de operaproductie van Albert Grisar (Antwerpen, 1808 – Asnières, 1869), die rond het midden van de 19de eeuw in Parijs vooral in het genre van de opéra bouffe succes kende. Niettegenstaande het Vlaamse onderwerp werd het libretto geschreven door de Franse auteur Jules-Henri Vernoy de Saint-Georges (1799–1875), die in de jaren 1830–1840 samen met Eugène Scribe (1791–1861) de Parijse theaterscène domineerde. Deze drieakter speelt zich af in Brugge in 1566, tijdens het Spaanse bewind, waarbij de hoofdrol is weggelegd voor de oude beiaardier Mathéus Claës en zijn klokken. Grisar en zijn librettist appelleren met dit werk duidelijk aan Vlaams-nationale én Belgisch patriottische gevoelens. Zo eindigt de opera anachronistisch met een hulde aan de vlag van Vlaanderen en is het werk opgedragen aan Leopold I, ‘roi des Belges’. De opera werd op 10 februari 1852 in de Parijse Opéra-Comique gecreëerd, waarbij kosten noch moeite werden gespaard. Net als Beethoven in zijn ouverture tot Egmont vat Grisar het verloop van het drama samen, van de trage, omineuze inleiding tot de geestdriftige transformatie van de tragedie in een triomfantelijke finale, met de hulde aan de vlag. Grisar toont hier zijn talent voor pittige melodieën en weet het ‘Rossinicrescendo’ efficiënt te gebruiken.

Charles-Louis Hanssens (Gent, 1802 – Brussel, 1871), bijgenaamd ‘jeune’ om hem te onderscheiden van zijn eveneens dirigerende en componerende oom met dezelfde naam, heeft een halve eeuw lang een bepalende rol gespeeld in het Belgische muziekleven. Als dirigent introduceerde hij Beethoven in België, hij dynamiseerde het muziekleven in Gent en Brussel en hij was decennialang dirigent van de Muntschouwburg waar hij tal van creaties bracht en de basis legde voor een rijke Wagnertraditie. Daarnaast liet hij een indrukwekkend oeuvre na, met cantates, oratoria, opera’s, koren, missen, een requiem, kamermuziek, ouvertures, orkestfantasieën, balletten, negen symfonieën en concerto’s. Zijn eerste vioolconcerto (in D) schreef Hanssens in 1836 tijdens een verblijf in Parijs. Opmerkelijk is de vorm waarbij de drie delen in elkaar overlopen en waarbij de soloviool mee de structuur uittekent. Met korte cadensen slaat de soloviool de brug tussen het Allegro en het Andantino en tussen de delen van het drieledige middendeel. Een lang aangehouden noot in de soloviool maakt de overgang naar het slotdeel, een virtuoos rondo. Hanssens droeg het werk op aan Jean-Baptiste Singelée (1812–1875), ‘premier violon solo’ van de Munt. Later componeerde hij nog een tweede vioolconcerto (in A).

La ronde du sabbat is het werk waarmee August de Boeck (Merchtem, 1865–1937) als symfonicus debuteerde: het werd op 26 februari 1893 gecreëerd tijdens het 31ste concert van de Volksconcerten die dirigent Constant Lenaerts (1852–1931). in Antwerpen organiseerde. Het moet het eerste orkestwerk zijn dat De Boeck schreef nadat hij bij zijn generatiegenoot Paul Gilson (1865-1942) in de leer was gegaan. Als motto voor zijn werk gebruikte De Boeck een vers uit Victor Hugo’s gelijknamige ballade uit 1825, een gedicht dat ook Hector Berlioz inspireerde.

‘Et leurs pas, ébranlant les arches colossales, / Troublent les morts couchés sous le pavé des salles.’ De demonische heksendans intrigeerde kunstenaars door de eeuwen heen en voor componisten was het na Berlioz’ Symphonie fantastique een heuse uitdaging om hun orkestratiekunsten te demonstreren. In dit
opzwepend stukje doet de jonge De Boeck dan ook zijn leraar en meester-orkestrator Gilson alle eer aan. Kort daarna zou hij trouwens met de Rapsodie dahoméenne zijn populairste orkestwerk schrijven.

Een ander geliefd en vaak gespeeld werk van De Boeck is zijn Cantilène voor cello en piano die een bewerking is van de meeslepende aria van Prinses Zonneschijn (zie CD 92097 – De Kinderen der Zee) uit zijn sprookjesopera Winternachtsdroom (1901). Deze versie met begeleiding van strijkers en harp
werd uitgevoerd op de begrafenis van de componist.

Voor de piano schreef De Boeck alleen kleine genrestukjes en dansen, waaronder drie walsen. De Valse dolente (1923) kende in de uitgave van Schott veel succes en werd later georkestreerd.

Meditatie voor viool en piano was de allereerste compositie van Jef Maes (Antwerpen, 1905–Antwerpen, 1996). Hij schreef het werk in 1927 toen hij nog studeerde bij Karel Candael (1883–1948). In een interview uit 1975 zei hij hierover: ‘Dat is een heel romantisch, klein werkje. Ik ben trouwens nog altijd een romanticus, een modern romanticus dan toch. Ik ben lang in de romantiek en de lyriek blijven hangen, tot bijna in het conservatieve. Toen ik als altviool in het operaorkest speelde, dweepte ik met Wagner en Strauss. Die waren voor mij een echte veropenbaring. Ge vindt van hen in mijn muziek niets terug, maar ik heb van hen veel geleerd.’ Maes heeft het korte werk in 1929 georkestreerd.

De Lyrische pastorale voor hoorn (1910) van Lodewijk Mortelmans (Antwerpen, 1868 – Antwerpen, 1952) is initieel met pianobegeleiding geconcipieerd, maar kreeg later een rijke orkestrale begeleiding. Binnen een driedelige liedvorm zet Mortelmans hier een heldhaftig, Wagneriaans aandoend hoornthema tegenover een brede, lyrische melodie.

Treurdicht (1925) vormt samen met In memoriam (1917), Hartsverheffing (1917) en Verlatenheid (1919) een indrukwekkend vierluik met elegieën. Deze treurmuziek was het rechtstreekse gevolg van de oorlogsjaren die voor Mortelmans bijzonder tragisch waren, omdat hij toen op korte tijd zijn vrouw en zijn jongste en oudste zoon verloor. Waar de eerste drie oorspronkelijk voor piano zijn geschreven en later werden georkestreerd, componeerde Mortelmans de vierde elegie meteen voor orkest. Met het introspectieve en berustende Treurdicht, in liedvorm geschreven, sloot hij deze opmerkelijke cyclus af. Kort daarna was nog een echo van zijn grote persoonlijke leed te horen in Drie kleine elegieën voor strijkorkest (1924–1926).

Samen met de Lyrische pastorale voor hoorn is de Romanza (1935) voor viool Mortelmans’ enige concertante werk. Ook de Romanza werd eerst als kamermuziekwerk geschreven (er bestaat ook een versie voor altviool) en werd nadien georkestreerd. In deze versie is dit lyrische en zwierige adagio een volwaardig concertstuk.

Jan Dewilde (Studiecentrum voor Vlaamse Muziek)

Kies gewenste formaat:

Physical, MP3